Electroconvulsietherapie (ECT)

Initiatief: NVvP Aantal modules: 34

Primair psychotische stoornissen bij ECT

Uitgangsvraag

In deze module worden de volgende uitgangsvragen beantwoord:

  1. Zijn de ziektebeelden schizofrenie en schizo-affectieve stoornis indicaties voor het toepassen van ECT?
  2. Is ECT effectiever dan farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie?
  3. Is ECT effectief bij een katatone episode?
  4. Wat zijn de (cognitieve) bijwerkingen van ECT bij schizofrenie?

Aanbeveling

Bij therapieresistente schizofrenie moet het toepassen van ECT worden aangeboden aan de patiënt, gezien de gunstige resultaten die verwacht kunnen worden en de negatieve prognose voor de patiënt als de psychotische symptomen niet onder controle komen.

 

De werkgroep adviseert om de capaciteit van ECT in Nederland opnieuw vast te stellen naar aanleiding van het advies om ECT bij therapieresistente schizofrenie te indiceren, omdat de werkgroep het ongewenst vindt dat patiënten die ‘van oudsher’ geïndiceerd zijn voor ECT (i.c., therapieresistente depressieve patiënten) worden verdrongen door deze ‘nieuwe’ indicatie.

 

Bij therapieresistente manische en depressieve episoden in het kader van een schizoaffectieve stoornis is het toepassen van ECT een optie.

 

Bij een maligne katatone episode, waarbij de vitale functies van de patiënt bedreigd zijn, is verwijzing naar een expertisecentrum voor spoed-ECT onverwijld aangewezen.

 

Bij een lorazepam-resistente katatone episode is het toepassen van ECT een optie.

Overwegingen

Aanvullend op de praktijkoverwegingen die in de inleiding zijn vermeld gelden bij de indicatie voor ECT bij psychotische stoornissen en katatone episode de volgende praktijkoverwegingen.

 

Kwaliteit van het bewijs

Uit het literatuuronderzoek dat ten behoeve van deze richtlijn werd uitgevoerd, en gescoord op kwaliteit met behulp van de GRADE-methode, blijkt redelijk goed te onderbouwen dat, bij therapieresistente patiënten met schizofrenie, ECT ten opzichte van alleen farmacotherapeutische behandeling de effectiviteit verbetert en het aantal heropnames sterk vermindert. Ook lijkt de tolerantie en verdraagzaamheid van ECT vergelijkbaar met farmacotherapie. De werkgroep is van mening dat het in de klinische praktijk van belang is dat de diagnostiek niet altijd zo eenduidig is als voor klinische onderzoeken wordt aangenomen. Zo is het onderscheid tussen psychotische depressie, bipolaire stoornis en schizofrenie niet altijd duidelijk. Dit is een extra overweging om bij een patiënt met schizofrenie en een psychotische episode, die niet goed reageert op antipsychotica, ECT als behandeloptie te overwegen.

 

Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Sommige patiënten met een chronische psychotische episode in het kader van een primaire psychotische stoornis kunnen een dusdanig ernstige verstoring van hun dagelijks leven ervaren dat, afgewogen tegen de kans op cognitieve bijwerkingen door ECT, een behandeling met ECT zeker kan worden overwogen gezien de kans op verbetering van de symptomen. Hoewel voor de behandeling van schizoaffectieve stoornis met ECT geen evidentie is, ligt het voor de hand op grond van de gunstige ervaring van het effect van ECT op depressieve en manische episoden met ECT, dat een ECT-kuur bij depressieve of manische episodes in het kader van schizoaffectieve stoornis overwogen kan worden.

In de praktijk is het soms moeilijk om de verschillende vormen van katatone episoden te onderscheiden, omdat deze zich kunnen voordoen in het beloop van een stemmingsstoornis, primair psychotische stoornis en/of een somatische aandoening. De behandeling van een katatone episode op korte termijn is voor alle vormen identiek en afhankelijk van de ernst, niet van het onderliggend lijden. Ook in de literatuur wordt gepleit om het maligne antipsychotica syndroom te beschouwen als een verschijningsvorm van katatonie (Hawkins e.a., 1995). Het behandelalgoritme van een katatone episode omvat eerst een (proef)behandeling met lorazepam en bij therapieresistentie voor lorazepam direct aansluitend een ECT-kuur, omdat langer afwachten van de katatone episode kan leiden tot ernstige complicaties (decubitus, aspiratie, trombose, contracturen, et cetera) en uiteindelijk overlijden.

 

Patiëntenperspectief

Een onbehandelbare, ernstige psychotische episode kan leiden tot ernstig risicovol gedrag (schulden, faillissement, dakloosheid, relatiebreuk) en/of tot lichamelijke uitputting en schade, en/of tot een langdurig beloop met ernstige beperkingen in het functioneren (langdurige gedwongen opname, langdurige uitval van werk, maatschappelijke teloorgang), waardoor behandeling met ECT om de therapieresistente psychotische episode te doorbreken sterk overwogen kan worden indien sprake is van dergelijke situaties.

Een lorazepam-resistente katatone episode is potentieel levensbedreigend voor de patiënt, zowel op de zeer korte termijn als er sprake is van een maligne katatonie (met ontregelde autonome vitale functies) als op de langere termijn vanwege de complicaties die gaan ontstaan door langdurige immobiliteit. Ook het overhouden van blijvende contracturen na een katatone episode is voor patiënten belemmerend.

 

Professioneel perspectief

Het verdient aanbeveling dat regiebehandelaren in de zorg voor patiënten met primair psychotische stoornissen op de hoogte zijn van de optie van het toepassen van ECT bij therapieresistente schizofrenie. Gezien de relatieve onbekendheid met deze mogelijkheid, omdat de wetenschappelijke ondersteuning pas recent is gekomen, zal geïnvesteerd moeten worden in het bij- en nascholen van psychiaters en verpleegkunidig specialisten GGZ die werkzaam zijn in de zorgsector voor patiënten met primair psychotische stoornissen. Daarbij valt te denken aan psychiaters en andere behandelaars, werkzaam in de FACT-teams en op chronische verblijfsafdelingen van ggz-instellingen en bij instellingen voor beschermd wonen.

 

Middelenbeslag

Indien patiënten met een primaire psychotische stoornis vaker voor een ECT-kuur in aanmerking komen, dan zal de benodigde ECT-capaciteit in Nederland moeten uitbreiden. In deze richtlijn wordt onderbouwd dat therapieresistente patiënten met schizofrenie waarschijnlijk baat kunnen hebben bij ECT. Tot op heden wordt ECT voor deze indicatie in Nederland en België nog weinig toegepast, maar dat zou gegeven de huidige stand van het wetenschappelijke bewijs wel vaker geïndiceerd kunnen zijn. Het middelenbeslag kan daardoor vanwege deze richtlijn toenemen, waarbij de werkgroep het ongewenst vindt dat de patiënten die ‘van oudsher’ geïndiceerd zijn voor ECT (i.c., therapieresistente depressieve patiënten) worden verdrongen door nieuwe indicatiegebieden (zoals therapieresistente primaire psychotische episoden in het kader van schizofrenie).

 

Organisatie van zorg

Patiënten met aanhoudende, therapieresistente psychotische episoden verblijven vaak in instellingen voor langdurige zorg of worden ambulant begeleid in FACT-teams. In tegenstelling tot de beginjaren van ECT in Nederland, is het toepassen van ECT in de sector voor langdurige zorg meestal niet gebruikelijk. Psychiaters die in deze zorgsector werken zouden moeten overwegen om patiënten met therapieresistente psychotische episoden te verwijzen voor ECT-indicatiestelling. De ECT-centra zullen daartoe dan vervolgens ook de capaciteit voor moeten ontwikkelen.

Bij de behandeling van patiënten met een ernstige katatone episode kan er sprake zijn van een indicatie voor spoed-ECT (zie het stroomschema in de module Organisatie van zorg). De ECT-frequentie moet in levensbedreigende gevallen dagelijks zijn, totdat de symptomen significant verminderd zijn. Dit vraagt een passende organisatie van zorg, waarbij een patiënt regelmatig op een intensive care afdeling van een ziekenhuis of UMC verblijft. Gezien de ernst van dergelijke klinische situaties, adviseert de werkgroep om patiënten met een ernstige (en/of maligne) katatone episode te verwijzen naar een ECT-centrum met expertise op dit gebied en een beschikbare intensive care.

 

Maatschappelijk perspectief

Hoewel de patiënten met therapieresistente schizofrenie een kleine groep betreft, zijn de maatschappelijke zorgen over deze patiënten vaak groot. Patiënten leven soms in erbarmelijke omstandigheden, en door verstorend gedrag zijn patiënten soms niet (meer) welkom in de reguliere opvang. Indien een ECT-kuur een dergelijke patiënt in een betere conditie kan brengen, waardoor zijn/haar maatschappelijke positie kan verbeteren, dan zou deze behandeling zeker overwogen moeten worden.

Onderbouwing

Onder patiënten met primair psychotische stoornissen verstaat de werkgroep patiënten die een psychotische episode doormaken waarbij er geen sprake is van een primaire stemmingsstoornis (zoals een depressieve stoornis of bipolaire stoornis). Schizofrenie was oorspronkelijk de belangrijkste indicatie voor ECT, maar heden ten dage is dit vanwege het beschikbaar komen van werkzame antipsychotica niet meer het geval. Echter, bij sommige patiënten is de primaire psychotische stoornis resistent voor farmacotherapie en kan ECT overwogen worden.

 

Patiënten die lijden aan een katatone episode komen vaker voor dan klinisch soms wordt gedacht. Katatone symptomen worden niet altijd direct herkend. Hoewel katatone verschijnselen meestal voorkomen in het kader van een stemmingsstoornis, wordt de ECT-indicatie bij een katatone episode in deze module behandeld omwille van de overzichtelijkheid, omdat er vaak ook sprake is van psychotische symptomen en/of ernstige somatische ontregelingen en traditioneel de koppeling vaak wordt gelegd naar de katatone schizofrenie.

Bij de psychotische stoornissen wordt een onderscheid gemaakt tussen de aandoeningen ‘schizofrenie’ en ‘schizoaffectieve stoornis’.

Bij het literatuuronderzoek naar de effectiviteit van ECT bij primair psychotische en katatone episoden zijn de volgende uitgangsvragen gehanteerd. In de volgende modules wordt een samenvatting gegeven van de literatuur per uitgangsvraag, de conclusies die daaruit getrokken kunnen worden, de aanvullende praktijkoverwegingen en de aanbevelingen van de werkgroep voor de praktijk bij psychotische stoornissen en katatone episoden.

Vraag 1. Zijn de ziektebeelden schizofrenie en schizoaffectieve stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

 

XXΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT tot een klinische verbetering leidt bij patiënten met schizofrenie.

(Brill e.a., 1959)

 

XXΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT leidt tot een grote reductie van het aantal heropnames.

(Goswami e.a., 2003)

XXΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT de ernst van de psychiatrische symptomen na behandeling verlaagt bij therapieresistente schizofrenie.

(Goswami e.a., 2003)

XXΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT meer kans geeft op respons bij schizofrenie dan alleen standaardzorg.

(Brill e.a., 1959)

 

Vraag 2. Is ECT effectiever dan farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie?

XXXΟ

ECT toegevoegd aan standaard zorg resulteert waarschijnlijk in een hogere respons dan alleen standaardzorg.

(Sinclair e.a., 2019)

 

XΟΟΟ

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT toegevoegd aan standaardzorg met Flupentixol na zes maanden een lagere symptoomscore (BPRS) geeft dan alleen standaardzorg met Flupentixol.

(Chanpattana e.a., 1999)

 

Vraag 3. Is ECT effectief bij een katatone episode?

XXΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat bij katatone schizofrenie ECT geen effect lijkt te hebben op studie-uitval, als indicatie voor verdraagzaamheid van de behandeling.

(Miller e.a., 1953)

 

 

 

XΟΟΟ

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT kan worden overwogen als de behandeling van de eerste keus, namelijk benzodiazepinen (meest beschreven lorazepam) niet binnen 48 uur effectief blijkt.

(Hawkins e.a., 1995; Bush e.a., 1996; Davis e.a., 1991; Trollor & Sachdev, 1999)

 

Vraag 4. Wat zijn de cognitieve bijwerkingen van ECT bij schizofrenie?

 

XXΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT bij katatone schizofrenie geen effect lijkt te hebben op studie-uitval.

(Miller e.a., 1953)

 

XΟΟΟ

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT direct na behandeling tot verminderd non-verbaal geheugen leidt maar niet tot een verminderd verbaal geheugen.

(Sarita e.a., 1998)

 

XΟΟΟ

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat een ECT-kuur niet tot sterfgevallen leidt op de lange termijn.

(May e.a., 1968)

 

XΟΟΟ

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT + TAU, in vergelijking met TAU alleen, op korte termijn een vermindering van het geheugen teweeg te brengt.

(Wang e.a., 2015)

 

XΟΟΟ

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT + TAU, in vergelijking met TAU alleen, geen toename in abnormaliteiten op het ECG geeft, maar wel toename van misselijkheid, braken en hoofdpijn geeft.

(Wang e.a., 2015)

 

XΟΟΟ

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT + TAU, in vergelijking met TAU alleen, tot hogere GAF-scores leidt.

(Jiang e.a., 2009)

Per uitgangsvraag wordt een samenvatting van de gevonden literatuur gegeven. Ook wordt beschreven op welke PICO deze literatuur betrekking heeft en welke selectie van studies heeft plaatsgevonden.

 

Uitgangsvraag 1. Zijn de ziektebeelden ‘schizofrenie’ en ‘schizo-affectieve stoornis’ indicaties voor het toepassen van ECT?

Ter beantwoording van deze vraag is de volgende PICO toegepast:

Patiënten

Patiënten met een psychotische stoornis waarbij ECT lijkt geïndiceerd

Interventie

ECT (+gebruikelijke zorg)

Vergelijking

Schijn-ECT (+gebruikelijke zorg)

Uitkomstmaten

Symptoom reductie en bijwerkingen

Terugval; Kwaliteit van leven; (Tijd tot) respons; Functioneren; Gedragsproblemen; Behandeluitval

 

In het Reviewprotocol (zie bijlagen) is een overzicht opgenomen van in- en exclusiecriteria.

Met de zoekstrategie werden ten opzichte van de vorige richtlijn ECT (2010) dezelfde (en niet meer) RCT’s gevonden dan genoemd worden in een Cochrane Review (Tharyan e.a., 2005), die uitgebreid in de literatuur geanalyseerd is (Greenhalgh e.a., 2005). De NICE-richtlijn ECT (National Institute for Clinical Excellence, 2003) baseert zich wat betreft de behandeling van schizofrenie met ECT op deze twee reviews.

De Cochrane review over ECT voor schizofrenie includeerde 26 onderzoeken. De kwaliteit van deze review is zeer goed (Greenhalgh e.a., 2005). De kwaliteit van de geïncludeerde onderzoeken was echter niet optimaal. Veel van de geïncludeerde onderzoeken pasten ECT niet toe volgens de huidige aanbevolen standaard (Greenhalgh e.a., 2005). De conclusie van de auteurs van de Cochrane review is dat de evidentie suggereert dat ECT, gecombineerd met antipsychotica, beschouwd kan worden als een optie voor de behandeling van schizofrenie, vooral als een snelle algemene verbetering en afname van symptomen gewenst is. Dit geldt ook voor medicatieresistente schizofrenie. ECT is voor de behandeling van schizofrenie minder effectief dan antipsychotica. De NICE-richtlijn ECT concludeert dat de combinatie van ECT en farmacotherapie misschien effectiever is dan farmacotherapie alleen, maar dat de evidentie niet duidelijk is.

Er is in de literatuur geen goede evidentie gevonden voor de behandeling van schizo-affectieve stoornis met ECT. Wel komt schizo-affectieve stoornis soms voor als subcategorie in onderzoeken, maar wetenschappelijk onderbouwde conclusies zijn niet te trekken. Voor de andere diagnoses werden geen RCTs gevonden tijdens de zoekstrategie van de Multidisciplinaire Richtlijn Elektroconvulsietherapie (Werkgroep Elektroconvulsietherapie, 2010) en ook in de review van Sinclair e.a. (2019) werden er geen RCTs gevonden tussen de geëxcludeerde artikelen.

Tijdens de fulltekst selectie voldeden twee reviews (Sinclair e.a., 2019; Tharyan & Adams, 2005) aan de AMSTAR-kwaliteitseisen en konden de data uit de meta-analyse gebruikt worden. Via het nagaan van referentie lijsten van geëxcludeerde studies uit deze twee reviews, geëxcludeerd reviews uit de search voor deze richtlijn en de vorige richtlijn werden er geen aanvullende publicaties gevonden die voldeden aan de criteria.

In de Tharyan 2005 review (Tharyan & Adams, 2005) werden 12 RCTs gevonden die ECT met schijn-ECT vergeleken, echter was er bij tien trials sprake van een combinatie behandeling (er werden antipsychotica toegevoegd). Behalve bij de volgende twee trials:

Brill e.a. (1959) (Allocation: randomly assigned - method not described. Blinding: double) randomiseerden 67 patiënten (met schizofrenie) voor zeven weken ECT (20 behandelingen van drie per week zonder (N=19) of met een spierontspanner (N=20) of met anesthesie (N=20)) of schijn-ECT (met twee groepen waarbij het type anesthesie verschilde (N=20 per groep)). Er was geen follow-up.

Miller e.a. (1953) (Allocation: divided at random - no further details.; Blinding: double) randomiseerden 20 patiënten (met katatone schizofrenie) voor 3 weken ECT (20 behandelingen (N=10)) of schijn-ECT voor 4 weken (20 behandelingen (N=10)). Follow up: 2 weken na de laatste behandeling.

In de Sinclair (2019) review werd één RCT gevonden die ECT met schijn-ECT vergeleek, bij de andere trials werd ECT (en gebruikelijke zorg) vergeleken met antipsychotica (clozapine of flupentixol)) en/of gebruikelijke zorg. Behalve bij de volgende trial.

Goswami e.a. (2003) randomiseerden 31 patiënten (met therapieresistente schizofrenie) voor 2 tot 4 weken ECT en standaardbehandeling (6 tot 12 behandelingen van 3 per week (N=15) of schijn-ECT en standaardbehandeling (N=15)). Er was geen follow-up.

In Tabel 7 (zie evidence tabellen) worden de resultaten gepresenteerd van de meta-analyses naar de uitkomsten van ECT versus schijn-ECT (in de literatuur vaak aangeduid als ‘schijn’-ECT) bij psychotische stoornis.

 

Uitgangsvraag 2. Is ECT effectiever dan farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie?

Ter beantwoording van deze vraag is de volgende PICO toegepast:

Patiënten

Patiënten met een psychotische stoornis waarbij ECT lijkt geïndiceerd

Interventie

ECT (+gebruikelijke zorg)

Vergelijking

Farmacotherapie (+gebruikelijke zorg)

Uitkomstmaten

Symptoom reductie en bijwerkingen

Terugval

Kwaliteit van leven

(Tijd tot) respons

Functioneren

Gedragsproblemen

Behandeluitval

 

In Sinclair review (2019) (doelgroep: therapieresistente schizofrenie) worden ook analyses gedaan van RCTs waarbij ECT wordt vergeleken met standaardbehandeling of farmacotherapie of placebo.

In de Sinclair (2019) analyse gebaseerd op 9 studies (n=819) bleek dat het toevoegen van ECT aan standaardbehandeling in vergelijking met standaardbehandeling dat in de ECT-groep een klinisch belangrijke respons (RR 2.06 (95% CI 1,75 tot 2,42) bij follow-up werd bereikt, de GRADE-kwaliteit van het resultaat werd als redelijk geschat. Er was geen of zeer lage kwaliteit evidentie over cognitieve bijwerkingen en functioneren. Sinclair e.a. (2019) analyseerden ook resultaten van studies die ECT (+ standaardbehandeling) vergeleken met farmacotherapie (+ standaardbehandeling). De resultaten waren van zeer lage kwaliteit (mental state (BPRS), functioneren) of er was geen klinisch relevant verschil (respons), waardoor er geen goede conclusies te trekken zijn.

Tabel 8 (zie evidence tabellen) toont de ‘risk of bias’ betreffende de literatuur ter beantwoording van de uitgangsvraag ‘ECT versus antipsychotica bij een psychotische stoornis’.

In Tabel 9 (zie evidence tabellen) worden de resultaten gepresenteerd van de meta-analyses naar de uitkomsten van ECT versus farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie.

 

Uitgangsvraag 3. Is ECT effectief bij een katatone episode?

Bij de beoordeling van de gevonden literatuur valt op dat meestal de behandeling van katatone symptomatologie wordt beschreven, ongeacht het onderliggende psychiatrische syndroom of somatisch lijden (schizofrenie, katatone subtype; katatone symptomatologie bij ernstige depressies of bij manie; maligne katatonie met ontregeling van het autonome zenuwstelsel; maligne antipsychotica syndroom; katatone verschijnselen bij delier). In de beschrijving van de literatuur, conclusies en aanbevelingen worden alle vormen van katatonie bedoeld, tenzij anders aangegeven.

Ten behoeve van deze richtlijn werden de omvangrijkste reviews (in totaal vier onderzoeken) onderzocht, waarbij gekeken werd naar beschrijvingen van de behandeling van katatone verschijnselen met ECT, de effectiviteit daarvan, ook in vergelijking met medicamenteuze behandelingen, en onderbouwde adviezen. Er werd één prospectief onderzoek over ECT bij katatone schizofrenie gevonden (Suzuki e.a., 2004). De overige gevonden artikelen werden niet geschikt bevonden ter beantwoording van de uitgangsvraag omdat ze alleen een enkele casus beschreven of niet het onderwerp betroffen.

Er zijn meerdere casuïstische mededelingen gedaan waarin ECT als uitermate effectief werd beschreven bij katatonie. Eén onderzoek volgde prospectief 11 patiënten met katatone schizofrenie na een behandeling met bifrontotemporale ECT. In 10 van de 11 patiënten (91%) bleken benzodiazepinen voor ECT niet effectief; alle patiënten voldeden na gemiddeld 10 ECT-sessies aan het criterium van ‘responder’, echter 7 van de behandelde patiënten (64%) recidiveerden binnen een halfjaar (Suzuki e.a., 2004).

In een groot literatuuronderzoek werden de gevalsbeschrijvingen van 178 patiënten geanalyseerd (Hawkins e.a., 1995): in de meeste gevallen werd de katatonie effectief behandeld met een benzodiazepine, meestal lorazepam (73 van 104 behandelde patiënten). ECT werd geadviseerd als deze aanpak niet hielp of als er een snelle respons nodig was, en ECT was dan effectief bij 47 van 55 patiënten (85%). Er zijn ook enige aanwijzingen dat soms een gecombineerde behandeling met ECT en lorazepam synergistisch kan werken, waarbij lorazepam vóór ECT niet effectief was, maar na ECT wel bij eenzelfde of een lagere dosis (Petrides e.a., 1997).

In een ander onderzoek toonde retrospectief statusonderzoek het verdwijnen van katatone verschijnselen na gemiddeld 12 sessies (meestal) bifrontotemporale ECT bij 26 uit 28 (93%) katatone patiënten. Dit betrof patiënten met ‘major depression’ (in 8 patiënten), bipolaire stoornis (in 5 patiënten), schizofrenie (in 5 patiënten), schizoaffectieve stoornis (in 2 patiënten) en ‘organic mental disorder’ (in 2 patiënten) (Rohland e.a., 1993). Er zijn overigens ook enkele gevalsbeschrijvingen waarin ECT bij katatone en neurologisch gecompromitteerde patiënten minder effectief zou zijn (Swartz e.a., 2003).

Ten aanzien van de plaats van ECT in de behandeling van katatonie werd in een prospectief onderzoek bij 28 patiënten het volgende gevonden: de effectiviteit van lorazepam (oraal, intramusculair, intraveneus; 4-8 mg per dag) op katatone symptomen, waarbij de meeste patiënten dramatisch verbeterden na de eerste paar giften, voorspelde een positieve respons op verdere behandeling met lorazepam bij 21 van de 23 (90%) patiënten; van de overige 5 niet-responsieve patiënten herstelden 4 met ECT (Bush e.a., 1996). Deze auteurs bevelen aan direct ECT te geven als lorazepam binnen enkele dagen niet effectief is, of als de katatonie ‘ernstig’ is. Het advies om na 48 uur niet-effectieve medicamenteuze behandeling over te gaan op ECT, wordt gesteund door een ander literatuuronderzoek, waarbij bleek dat 26 van 31 (84%) medicamenteus voorbehandelde katatone patiënten effectief met ECT konden worden behandeld, naast 13% met een slecht en 3% met een twijfelachtig resultaat (Scheftner & Shulman, 1992).

In de literatuur wordt door sommige auteurs het maligne antipsychoticasyndroom (MAS) als subcategorie binnen de groep van katatonie beschouwd, waarbij de behandeling met ECT uitermate effectief en soms levensreddend is. In een omvangrijk literatuuronderzoek werden van 734 gepubliceerde patiënten, 665 MAS-casus nader geanalyseerd. Hierbij bleek ECT effectief en veilig bij 24 van de 29 (83%) met ECT behandelde patiënten; de mortaliteit bij patiënten met MAS daalde van 21% onbehandeld tot 10% bij zowel de groep die behandeld werd met ECT als met medicatie (amantadine, bromocriptine, L-dopa en dantroleen) (Davis e.a., 1991). In een ander literatuuronderzoek bleek ECT bij 45 patiënten effectief na gemiddeld 6 sessies, ook als de medicamenteuze behandeling van het MAS had gefaald (Trollor & Sachdev, 1999).

 

Uitgangsvraag 4. Wat zijn de (cognitieve) bijwerkingen van ECT bij schizofrenie?

Bijwerkingen op de korte termijn (zie evidence tabellen – tabel 10).

In de Sinclair Cochrane review (2019) wordt er één trial beschreven (Wang e.a., 2015) waarin ECT + treatment as usual (TAU) vergeleken wordt met TAU alleen. ECT in combinatie met TUA resulteerde in een vermindering van het geheugen op de korte termijn (n=72, RR=27 (95% BI 1.67 tot 437.68)). In dezelfde studie werden geen korte termijneffecten van ECT+TAU gevonden op het elektrocardiogram (ECG; RR=0.85 [95% BI 0.44 tot 1.63]), hoofdpijn (RR=7.00 [95% BI 0.37 tot 130.82]) en misselijkheid/braken (RR = 2.00 [95% BI 0.19 tot 21.09]) in vergelijking met TAU alleen.

De NICE HTA (2002) includeerde één trial (Sarita e.a., 1998) naar het cognitief functioneren. Het non-verbaal geheugen zou verminderen direct na ECT (n=24, WMD -14.0 (95% BI -23 tot -5). Er zou geen verschil in effect zijn op het verbale geheugen.

Een andere manier om uitspraken te doen over de tolerantie van ECT bij psychotische stoornis in relatie tot alle bijwerkingen, is de uitval bij studies te analyseren. Dit is gedaan in de studies waarbij ECT werd vergeleken met schijn-ECT (zie tabel 11 in de evidence tabellen). De mortaliteit van ECT bij psychotische stoornissen is geanalyseerd in een trial ECT versus schijn-ECT (May e.a., 1968) met 98 personen; er bleken na drie jaar follow-up geen sterfgevallen in beide groepen.

 

Bijwerkingen op de middellange termijn (Zie tabel 12 in de evidence tabellen).

In de Sinclair Cochrane review (2019) is een meta-analyse uitgevoerd op trials waarin ECT + treatment as usual (TAU) vergeleken wordt met TAU alleen. Op basis van één trial (Zhang e.a., 2012) werd er geen toename gevonden in algemene adverse events op de middellange termijn (RR = 1.33 [95% BI 0.86 tot 2.06]). Op basis van de data van 4 trials (Chen e.a., 2012; Jiang e.a., 2009; Wang e.a., 2011; Yang e.a., 2005) werd er geen verschil in het voorkomen van abnormaliteiten op het ECG (RR=0.92 [95% BI 0.67 tot 1.26]) gevonden. Op basis van één trial (Jiang e.a., 2009) werd er geen verhoogd effect op duizeligheidssymptomen gevonden (RR = 1.72 [95% BI 0.7 tot 4.20]), geen effect op spierrigiditeit gevonden (RR = 0.77 [95% BI 0.37 tot 1.59]). Ook werd er op basis van 2 trials (Jiang e.a., 2009; Lin e.a., 2014) geen verhoogd risico op misselijkheid/braken gerapporteerd (RR = 0.79 [95% BI 0.31 tot 2.02]) en geen toenamen in ‘adverse events’ niet nader gespecificeerd (2 trials [Chen e.a., 2012; Wang e.a., 2011], RR = 0.99 [95% BI 0.44 tot 2.23]). Wel werd er voor de ECT+TAU-groep een verhoogd risico op hoofdpijn gerapporteerd in twee studies (Jiang e.a., 2009; Lin e.a., 2014) (RR = 5.47 [95% BI 1.47 tot 20.39]). In één trial (Zhang e.a., 2010) werd gevonden dat ECT+TAU gepaard gaat met minder cardiovasculaire symptomen dan TAU alleen (MD = -0.5 [95% BI -0.58 tot -0.42]).

  1. Brill, N. Q., Crumpton, E., Eiduson, S., Grayson, H. M., Hellman, L. I., & Richards, R. A. (1959). An experimental study of the relative effectiveness of various components of electro-convulsive therapy. The American journal of psychiatry, 115(8), 734–735. United States.
  2. Doucet, S., Jones, I., Letourneau, N., Dennis, C.-L., & Blackmore, E. R. (2011). Interventions for the prevention and treatment of postpartum psychosis: A systematic review. Archives of Women’s Mental Health, 14(2), 89–98.
  3. Goswami, U., Kumar, U., & Singh, B. (2003). Efficacy of Electroconvulsive Therapy in Treatment Resistant Schizophreinia : A double-blind study. Indian journal of psychiatry, 45(1), 26–9.
  4. Leroy, A., Naudet, F., Vaiva, G., Francis, A., Thomas, P., & Amad, A. (2018). Is electroconvulsive therapy an evidence-based treatment for catatonia? A systematic review and meta-analysis. European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience, 268(7), 675–687.
  5. Matheson, S. L., Green, M. J., Loo, C., & Carr, V. J. (2010). Quality assessment and comparison of evidence for electroconvulsive therapy and repetitive transcranial magnetic stimulation for schizophrenia: A systematic meta-review. Schizophrenia Research, 118(1–3), 201–210.
  6. Miller, D. H., Clancy, J., & Cumming, E. (1953). A comparison between unidirectional current nonconvulsive electrical stimulation given with Reiter’s machine, standard alternating current electro-shock (Cerletti method), and pentothal in chronic schizophrenia. The American journal of psychiatry, 109(8), 617–620.
  7. Pelzer, A. C. M., van der Heijden, F. M. M. A., & den Boer, E. (2018). Systematic review of catatonia treatment. Neuropsychiatric Disease and Treatment, 14. van der Heijden, Frank M. M. A ., Vincent van Gogh Institute for Psychiatry, Tegelseweg 210, 5912 BL, Venlo, Netherlands: Dove Medical Press Ltd.
  8. Pompili, M., Lester, D., Dominici, G., Longo, L., Marconi, G., Forte, A., Serafini, G., et al. (2013). Indications for electroconvulsive treatment in schizophrenia: A systematic review. Schizophrenia Research, 146(1–3), 1–9.
  9. Sinclair, D. J., Ellison, J. M., & Adams, C. E. (2019). Electroconvulsive therapy for treatment-resistant schizophrenia. Cochrane Database of Systematic Reviews, (3). Retrieved from http://doi.wiley.com/10.1002/14651858.CD011847
  10. Spodniaková, B., Halmo, M., & Nosáľová, P. (2015). Electroconvulsive therapy in pregnancy - A review. Journal Of Obstetrics And Gynaecology: The Journal Of The Institute Of Obstetrics And Gynaecology, 35(7), 659–662.
  11. Tharyan, P., & Adams, C. E. (2005). Electroconvulsive therapy for schizophrenia. Cochrane Database of Systematic Reviews,
  12. Wang, W., Pu, C., Jiang, J., Cao, X., Wang, J., Zhao, M., & Li, C. (2015). Efficacy and safety of treating patients with refractory schizophrenia with antipsychotic medication and adjunctive electroconvulsive therapy: a systematic review and meta-analysis. Shanghai Archives Of Psychiatry, 27(4), 206–219.
  13. Ward, H. B., Szabo, S. T., & Rakesh, G. (2018). Maintenance ECT in schizophrenia: A systematic review. Psychiatry Research, 264, 131–142.

Uitgangsvraag 1. Zijn de ziektebeelden ‘schizofrenie’ en ‘schizo-affectieve stoornis’ indicaties voor het toepassen van ECT?

In Tabel 7 worden de resultaten gepresenteerd van de meta-analyses naar de uitkomsten van ECT versus schijn-ECT (in de literatuur vaak aangeduid als ‘schijn’-ECT) bij psychotische stoornis.

Tabel 7. ECT versus schijn-ECT direct na de behandeling bij psychotische stoornis

Uitkomsten

Absolute effecten* (95% CI)

Relatief effect
(95% CI)

Aantal deelnemers
(studies)

Certainty of the evidence
(GRADE)

Opmerkingen

Effect met schijn-ECT

Effect met ECT

Ernst van psychiatrische symptomen na behandeling (totaalscore op Brief Psychiatric Rating Scale bij therapieresistente schizofrenie)

-

 

 

-

SMD 0.40
(-0,41 to 1.21)

25
(1 RCT)

⨁⨁◯◯
LAAG a

Er zijn aanwijzingen dat ECT de ernst van de psychiatrische symptomen na behandeling verlaagt bij therapieresistente schizofrenie.

Aantal heropname (bij therapieresistente schizofrenie)

700 per 1,000

203 per 1,000
(70 tot 595)

RR 0.29
(0.10 tot 0.85)

25
(1 RCT)

⨁⨁◯◯
LAAG b

Er zijn aanwijzingen dat ECT resulteert in een grote vermindering van heropnames bij therapieresistente schizofrenie.

Studie-uitval (bij katatone schizofrenie)

0 per 1,000

0 per 1,000
(0 tot 0)

Niet te berekenen

40
(1 RCT)

⨁⨁◯◯
LAAG b

Er zijn aanwijzingen dat ECT geen effect heeft op studie-uitval vergeleken met schijn-ECT bij katatone schizofrenie.

Kans op ‘geen verbetering’ gemeten met de Clinical Global impression (CGI) Scale (bij schizofrenie)

448 per 1,000

394 per 1,000
(224 tot 695)

RR 0.88
(0.50 tot 1.55)

67
(1 RCT)

⨁⨁◯◯
LAAG b

Er zijn aanwijzingen dat ECT meer kans geeft op respons bij schizofrenie.

Terugval

-

-

-

-

-

-

Functioneren

-

-

-

-

-

-

Gedragsproblemen

-

-

-

-

-

-

Kwaliteit van leven

-

-

-

-

-

-

a. Onnauwkeurigheid: erg weinig deelnemers waarop het resultaat gebaseerd is;

b. Onnauwkeurigheid: erg weinig events waarop het resultaat gebaseerd is.

 

Uitgangsvraag 2. Is ECT effectiever dan farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie?

Tabel 8 toont de ‘risk of bias’ betreffende de literatuur ter beantwoording van de uitgangsvraag ‘ECT versus antipsychotica bij een psychotische stoornis’.

F1

 

In Tabel 9 worden de resultaten gepresenteerd van de meta-analyses naar de uitkomsten van ECT versus farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie.

Tabel 9. ECT toegevoegd aan standaardzorg versus alleen standaard zorg met farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie

Uitkomsten

Absolute effecten* (95% CI)

Relatief effect
(95% CI)

Aantal deelnemers
(studies)

Vertrouwen in het bewijs
(GRADE)

Conclusie

Kans met alleen standaardzorg, inclusief farmacotherapie

Kans met ECT met standaardzorg

Behandelrespons vastgesteld met: klinisch belangrijke respons (per studie gedefinieerd)
follow up: 8-12 weken

308 per 1,000

 

 

 

635 per 1,000
(539 tot 746)

RR 2.06
(1.75 tot 2.42)

819
(9 RCTs)

⨁⨁⨁◯
REDELIJK a

Het is aannemelijk dat ECT toegevoegd aan standaard zorg resulteert in een hogere respons dan alleen standaardzorg.

Mate van psychiatrische symptomen
vastgesteld met de totaalscore op de BPRS; follow up: 6 maanden

De gemiddelde totale BPRS-score was 44.3

De gemiddelde totale BPRS-score was 0.93 lager (6.95 lager tot 5.09 hoger) in vergelijking met controle groep

-

30
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b,c

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT toegevoegd aan standaardzorg met Flupentixol na zes maanden een lagere symptoomscore (BPRS) geeft dan alleen standaardzorg met Flupentixol.

a. Een verhoogd risico op performance bias;

b. Schaal scores gebruikt als vervanging van de eigenlijke uitkomst maat;

c. Kleine sample size; wijde betrouwbaarheidsinterval.

 

Uitgangsvraag 4. Wat zijn de (cognitieve) bijwerkingen van ECT bij schizofrenie?

Tabel 10. ECT toegevoegd aan standaardzorg (TAU) vergeleken met standaardzorg in behandelingsresistente schizofrenie (bijwerkingen op korte termijn)

Uitkomst

Absolute effecten* (95% CI)

Relatief effect
(95% CI)

Aantal deelnemers
(studies)

Vertrouwen in het bewijs
(GRADE)

Opmerkingen

Risico met TAU

Risico met ECT + TAU

Cognitief functioneren- vermindering geheugen

0 per 1,000

 

0 per 1,000
(0 tot 0)

RR 27.00
(1.67 tot 437.68)

72
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b

Het is onzeker of ECT + TAU, in vergelijking met TAU alleen, op korte termijn, een vermindering van het geheugen teweegbrengt.

Adverse events: Abnormaliteiten op het ECG

361 per 1,000

 

307 per 1,000
(159 tot 589)

RR 0.85
(0.44 tot 1.63)

72
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,d

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT + TAU, in vergelijking met TAU alleen, een gelijk aantal abnormaliteiten op het ECG laat zien.

Adverse event: hoofdpijn

0 per 1,000

0 per 1,000
(0 tot 0)

RR 7.00
(0.37 tot 130.82)

72
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, in vergelijking met TAU alleen, op de korte termijn in een gelijk aantal hoofdpijn geeft.

Adverse event: misselijkheid en braken

28 per 1,000

56 per 1,000
(5 tot 586)

RR 2.00
(0.19 tot 21.09)

72
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT + TAU, in vergelijking met TAU alleen, een toename van misselijkheid en braken laat zien.

Algemeen cognitief functioneren: GAF-scores

   

MD 4.32 hoger
(0.2 lager tot 8.84 hoger)

67
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,c

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT + TAU, in vergelijking met TAU alleen, leidt tot een hogere GAF-score.

a. Kans op vertekening: studie laat op meer dan twee punten een risk of bias zien of de risk of bias kan op meerdere punten niet bepaald worden;

b. Ernstige onnauwkeurigheid: het betrouwbaarheidsinterval is zeer breed. En kan daarbij duiden op een voordelig maar ook een nadelig effect van ECT;

c. Onnauwkeurigheid: het betrouwbaarheidsinterval doorkruist de lijn van geen klinisch relevant effect. En kan daarbij duiden op een voordeel maar ook een niet klinisch relevant effect;

d. Onnauwkeurigheid: gebaseerd op een klein aantal events.

 

Tabel 11. Verschilt de studie-uitval bij ECT en schijn-ECT voor psychotische stoornis, direct na de behandeling?

Uitkomsten

Absolute effecten* (95% CI)

Relatief effect
(95% CI)

Aantal deelnemers
(studies)

Vertrouwen in het bewijs
(GRADE)

Opmerkingen

Effect met gesimuleerde ECT

Effect met ECT

Studie-uitval - katatone schizofrenie

0 per 1,000

0 per 1,000
(0 tot 0)

Niet te berekenen

40
(1 RCT)

⨁⨁◯◯
LAAG b

Er zijn aanwijzingen dat ECT geen effect heeft op uitval bij psychotische patiënten.

 

Tabel 12. ECT toegevoegd aan standaardzorg (TAU) vergeleken met TAU in behandelingsresistente schizofrenie (bijwerkingen op middellange termijn)

Uitkomst

Absolute effecten* (95% CI)

Relatief effect
(95% CI)

Aantal deelnemers
(studies)

Vertrouwen in het bewijs
(GRADE)

Opmerkingen

Risico met TAU

Risico met ECT + TAU

Adverse events
gemeten d.m.v.: algemeen gerapporteerde events

429 per 1,000

 

570 per 1,000
(369 to 883)

RR 1.33
(0.86 tot 2.06)

84
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, een toename geeft in gerapporteerde adverse events.

Adverse event: abnormaliteiten op het ECG

358 per 1,000

329 per 1,000
(240 to 451)

RR 0.92
(0.67 tot 1.26)

274
(4 RCTs)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b,c

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, een gelijk aantal abnormaliteiten op het ECG laat zien.

Adverse event: duizeligheid

171 per 1,000

295 per 1,000
(120 tot 720)

RR 1.72
(0.70 tot 4.20)

69
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b,c

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, vaker duizeligheid geeft.

Adverse event: hoofdpijn

27 per 1,000

148 per 1,000
(40 tot 551)

RR 5.47
(1.47 tot 20.39)

147
(2 RCTs)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b,d

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, vaker hoofdpijn geeft.

Adverse event: spierrigiditeit

343 per 1,000

264 per 1,000
(127 tot 545)

RR 0.77
(0.37 tot 1.59)

69
(1 RCT)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b,c

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, minder spierrigiditeit geeft.

Adverse event: misselijkheid en braken

122 per 1,000

 

96 per 1,000
(38 tot 246)

RR 0.79
(0.31 tot 2.02)

147
(2 RCTs)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG a,b,c

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, minder misselijkheid/braken geeft.

Adverse event: niet nader gespecificeerd

139 per 1,000

 

138 per 1,000
(61 tot 310)

RR 0.99
(0.44 tot 2.23)

145
(2 RCTs)

⨁◯◯◯
LAAG a,b,c

Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, even veel kans op het optreden van niet nader gespecificeerde bijwerkingen geeft.

Cardiovasculaire symptomen: TESS-score

   

MD 0.5 lager
(0.58 lager tot 0.42 lager)

245
(1 RCT)

⨁⨁◯◯
LAAG b.f

Er zijn aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, lijkt te resulteren in minder cardiovasculaire symptomen.

Algemeen cognitief functioneren: GAF-score

   

MD 10.66 hoger
(6.98 hoger tot 14.34 hoger)

97
(2 RCTs)

⨁◯◯◯
ZEER LAAG b,e,f

Er zijn voorzichtig aanwijzingen dat ECT+TAU, vergeleken met TAU alleen, leidt tot hogere GAF-scores.

a. Kans op vertekening: studie laat op meer dan twee punten een risk of bias zien of de risk of bias kan op meerdere punten niet bepaald worden;

b. Onnauwkeurigheid: gebaseerd op een klein aantal events;

c. Onnauwkeurigheid: het betrouwbaarheidsinterval kan duiden op een voordeel maar ook op een nadeel;

d. Onnauwkeurigheid: het betrouwbaarheidsinterval is breed;

e. Inconsistentie: heterogeniteit van 80%;

f. Onnauwkeurigheid: gebaseerd op een klein sample.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-08-2021

Laatst geautoriseerd  : 01-08-2021

Geplande herbeoordeling  : 01-01-2027

Uiterlijk in 2026 bepaalt de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) in samenspraak met de betrokken partijen of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen wanneer nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven een vervroegd herzieningstraject te starten. In beide gevallen is de huidige richtlijn geldig tot het daadwerkelijk verschijnen van de definitieve herziene versie.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie
  • Werkgroep ECT Nederland van de NVvP

Algemene gegevens

Op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) is door de werkgroep Richtlijn Elektroconvulsietherapie (ECT) een update ontwikkeld van de multidisciplinaire richtlijn uit 2010. De ontwikkeling van de module werd methodologisch en organisatorisch ondersteund door het Trimbos-instituut.

Doel en doelgroep

De module is ontwikkeld als hulpmiddel. De Richtlijn ECT geeft aanbevelingen en handelingsinstructies voor de indicaties van ECT, technische aspecten, anesthesiologische zorg, vervolgbehandeling na ECT en organisatie van zorg.

De module geeft aanbevelingen ter ondersteuning van de praktijkvoering van alle professionals die betrokken zijn bij het bieden van ECT aan de groepen patiënten die deze nodig hebben. Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen geeft de module een overzicht van goed (‘optimaal’) handelen als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De module kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied van ECT.

Vanuit de multidisciplinaire ontwikkelprocedure poogt de richtlijn een positief effect te hebben op de multidisciplinaire samenwerking in de dagelijkse praktijk. Daarnaast moet de richtlijn gezien worden als een leidende tekst, waarvan een vertaling kan plaatsvinden naar lokale zorgprogramma’s en protocollen. Het opstellen van lokale zorgprogramma’s en protocollen op basis van deze module wordt door de werkgroep aangemoedigd, omdat het voor de implementatie van de in de richtlijn beschreven optimale zorg bevorderlijk is.

Indien de aanbevelingen uit deze richtlijn in de concrete situatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt voor wie ECT wordt overwogen of overwogen zou moeten worden, dan moet het mogelijk zijn beredeneerd af te wijken van de richtlijn, tenzij de wensen of behoeften van de patiënt naar de mening van de psychiater hem/haar kunnen schaden dan wel geen toegevoegde waarde hebben.

 

Afbakening

Deze module betreft indicaties, technische aspecten, anesthesiologische zorg, vervolgbehandeling en zorgorganisatie rond het aanbieden van ECT aan patiënten met een depressieve-, een suïcidale-, een manische-, een katatone-, of een psychotische episode, een episode met bewustzijnsdaling, of een motorisch ontregelde episode.

Met uitzondering van de module over ECT bij adolescenten, zijn studies over personen vanaf 18 jaar meegenomen. In de module is gezocht systematische reviews en meta-analyses met een publicatiedatum van 2008 tot en met 1 maart 2019. Nog niet gepubliceerde onderzoeken zijn niet meegenomen (wel onderzoeken 'in press'). Zie voor meer informatie over de afbakening van de module in de bijlagen. Per module is een bijlage opgenomen met toelichting over de gebruikte reviewstrategie (reviewprotocollen per uitgangsvraag).

Samenstelling werkgroep

De Multidisciplinaire Richtlijn ECT is ontwikkeld door de werkgroep ECT, in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.

De werkgroep, onder voorzitterschap van prof. dr. Walter van den Broek, psychiater en opleider psychiatrie bij het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, bestond uit: psychiaters, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten GGZ, anesthesiologen, een klinisch neuropsycholoog en een ervaringsdeskundige, die door de beroepsverenigingen en patiëntenvereniging werden afgevaardigd.

Voorafgaande aan het ontwikkeltraject werden kennismakingsgesprekken gevoerd met verscheidene kandidaatleden voor de werkgroep. Uit deze groep belangstellenden werden de huidige werkgroep leden geselecteerd. Naast de werkgroep is een groep van adviseurs samengesteld, die werd gevraagd voorafgaand aan de commentaarfase schriftelijk en telefonisch te reageren op onderdelen van de concepttekst. De werkgroep werd methodologisch en organisatorisch ondersteund door het technisch team van het Trimbos-instituut. Dit technisch team bestond uit een projectleider, literatuur reviewers, een gezondheidseconoom, een notulist en een projectassistente. Onderstaande schema's geven een overzicht van de samenstelling van de werkgroep, de adviesgroep en het ondersteunend technisch team.

 

Leden werkgroep

 

Naam

Organisatie

Beroepsvereniging

1.

Walter van den Broek

Erasmus MC

Psychiater, NVvP

2.

Jeroen van Waarde

Rijnstate

Psychiater, NVvP

3.

Martijn van Noorden

LUMC

Psychiater, NVvP

4.

Harm Pieter Spaans

Parnassia

Psychiater, NVvP

5.

Pascal Sienaert

Upcku Leuven

Psychiater, VVP België

5.

Mark Koning

Rijnstate

Anesthesioloog-Intensivist, NVA

6.

Nick Koning

Rijnstate

Anesthesioloog, NVA

7.

Lianneke Egberink

GGz InGeest

Verpleegkundig specialist GGz, V&VN

8.

Franklin Dik

GGz Rivierduinen

Verpleegkundig specialist GGz, V&VN

9.

Esmée Verwijk

AMC

Klinisch neuropsycholoog, NIP

10.

Hector van den Boorn

AMC

Clientvertegenwoordiger, MIND

 

Leden Adviesgroep

Module

Naam

Organisatie

Beroep

Indicatie voor ECT

Eric van Exel

GGzIngeest

Psychiater, voorzitter WEN

Technische aspecten

Metten Somers

UMCU

Psychiater, voorzitter WEN

 

Hans Warning

UMCG

Verpleegkundig specialist psychiatrie

Anesthesiologische zorg

Theo Groenland

 Park Medisch Centrum

Anesthesioloog

Zorgorganisatie

Judith Godschalx

Spaarne Gasthuis

Psychiater

Bijwerkingen (verschillende modules)

Mike van Kessel

Antes

Psycholoog

 

Methodologische ondersteuning

Naam

 

Ondersteuning

Danielle van Duin

Projectleider, Trimbos-instituut

Matthijs Oud

Reviewer, Trimbos-instituut

Egbert Hartstra

Reviewer, Trimbos-instituut

Ben Wijnen

Gezondheidseconoom, Trimbos-instituut

Diana de Ruijter Korver

Projectassistent, Trimbos-instituut

 

In totaal kwam de werkgroep ECT voorafgaand aan de commentaarfase 7 keer bijeen in een periode van 13 maanden (januari 2019 – februari 2020). In deze periode werden de stappen van de methodiek voor evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO) doorlopen. Op systematische wijze werd literatuuronderzoek gedaan, waarna de reviewers een selectie maakten in de gevonden onderzoeken (zie voor informatie over de selectiecriteria: de per module bijgevoegde reviewprotocollen). De reviewers beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur en verwerkten deze in evidence tabellen, Risk of bias tabellen, forest plots, GRADE profielen en beschrijvingen van de wetenschappelijke onderbouwing en wetenschappelijke (gewogen) conclusies. Leden van de werkgroep gingen op basis van de gevonden literatuur met elkaar in discussie over praktijkoverwegingen en aanbevelingen. De werkgroepleden schreven samen met het technisch team van het Trimbos-instituut de concepttekst, die ter becommentariëring openbaar is gemaakt. De ontvangen commentaren zijn verzameld in een commentaartabel, die tijdens een werkgroepbijeenkomst is besproken. Na het verwerken van de op deze bijeenkomst voorgestelde wijzigingen is de definitieve richtlijn ter autorisatie aangeboden aan de betrokken beroepsverenigingen en patiëntorganisatie.

Inbreng patiëntenperspectief

Zie het verslag van de patiënt focusgroep bijeenkomst in de bijlagen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Recent onderzoek laat zien dat er bij trajecten rond kwaliteitsstandaarden voornamelijk aandacht is voor de ontwikkeling van de kwaliteitstandaard. Planmatige opgezette en onderbouwde invoering komt maar heel beperkt van de grond. Hierop dient gericht te worden aangestuurd door financiers, zodat hier al bij de start geld voor beschikbaar is. De Regieraad voor richtlijntrajecten onderschrijft dan ook een programmatische aanpak van de ontwikkeling, invoering én evaluatie van kwaliteitsstandaarden inclusief (financiële en organisatorische) middelen, om het gebruik van de standaarden te stimuleren, monitoren en evalueren[1]. TNO, CBO en het Trimbos-instituut besloten deze opdracht samen uit te voeren, met als doel de complementaire inzichten en expertise te vertalen in een gemeenschappelijke visie op richtlijnen en andere kwaliteitsstandaarden. Dit resulteerde in een praktisch instrument voor een analyse van richtlijntrajecten: Kwaliteit Richtlijnontwikkeling, Invoering en Evaluatie (KRIE).

Werkwijze

De multidisciplinaire richtlijn ECT is ontwikkeld volgens de methodiek van de evidence based richtlijn­ontwikkeling (EBRO).

 

Uitgangsvragen

De module is ontwikkeld op geleide van uitgangsvragen, die gebaseerd zijn op knelpunten die worden ervaren rondom indicaties, technische aspecten, anesthesiologische zorg, vervolgbehandeling, en organisatie van zorg bij ECT.

De module is geen leerboek waarin zoveel mogelijk beschikbare kennis over een onderwerp wordt opgenomen, maar een document met praktische aanbevelingen rondom knelpunten uit de praktijk. Dat betekent dat praktijkproblemen zoveel als mogelijk uitgangspunt zijn van de teksten in de module. Dat betekent ook dat méér aandacht gegeven wordt aan de wijze waarop die praktijkproblemen worden opgelost, dan aan degene door wie die problemen worden aangepakt of opgelost. De module is een document waarin staat hoe indicatiestelling, technische uitvoering, anesthesiologische begeleiding, vervolgbehandeling bij ECT er inhoudelijk uitziet. Daarnaast worden in een apart module aanbevelingen gedaan voor de organisatie van zorg bij ECT en over de kosteneffectiviteit en budget impact van het aanbieden van ECT. In deze module worden de hieronder beschreven ‘klinische uitgangsvragen’ behandeld in de verschillende modules.

Uitgangsvragen in de richtlijn ECT zijn:

 

Module

Uitgangsvragen

Indicaties voor ECT

  • Wat zijn algemene uitgangspunten bij ECT?

Stemmingsstoornissen

  • Is ECT effectiever dan schijn-ECT bij de behandeling van een depressieve stoornis?
  • Is ECT effectiever dan antidepressiva bij de behandeling van een depressieve stoornis?
  • Is ECT effectiever bij de behandeling van een depressie met psychotische kenmerken vergeleken met niet-psychotische depressie?
  • Is ECT effectiever dan antidepressiva bij de behandeling van een depressie met psychotische kenmerken?
  • Is een medicatieresistente depressie een indicatie voor het toepassen van ECT?
  • Is suïcidaliteit een indicatie voor de toepassing van ECT?
  • Is een depressieve stoornis bij ouderen een indicatie voor het toepassen van ECT?
  • Is een depressieve stoornis bij adolescenten een indicatie voor het toepassen van ECT?
  • Is een depressieve episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?
  • Is een manische episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?
  • Is een rapid cycling patroon of ‘mixed-state’ in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

Primair psychotische stoornissen

  • Zijn de ziektebeelden schizofrenie en schizo-affectieve stoornis indicaties voor het toepassen van ECT?
  • Is ECT effectiever dan farmacotherapie bij therapieresistente schizofrenie?
  • Is ECT effectief bij een katatone episode?

Overige therapieresistente aandoeningen

  • Kan ECT geïndiceerd zijn bij een therapieresistent delier?
  • Kan ECT geïndiceerd zijn bij de ziekte van Parkinson, met of zonder depressieve episode?
  • Kan ECT geïndiceerd zijn bij een therapieresistente status epilepticus?

Technische Aspecten van ECT

  • Welke definities van brief pulse (BP) en ultra-brief pulse (UBP) dienen aangehouden te worden en zijn belangrijk voor de interpretatie van het huidig beschikbare ECT-onderzoek?
  • Welke elektrodeplaatsing verdient de voorkeur bij het toepassen van ECT?
  • Welke doseringsmethode en dosis hebben de voorkeur bij het toepassen van ECT?
  • Op welke wijze dient de duur van het insult bepaald te worden?
  • Op welke wijze dient omgegaan te worden met een te kort of een te lang insult?
  • Wat is de gewenste frequentie van ECT, rekening houdend met de stoornis en de elektrodeplaatsing?
  • Uit hoeveel behandelingen dient een behandeling met ECT te bestaan, wil deze adequaat zijn uitgevoerd?
  • Op welke wijze dient de behandeling met ECT geëvalueerd te worden?
  • Welk farmacologisch beleid dient gevoerd te worden bij de toepassing van ECT, rekening houdend met de stoornis?
  • Wat zijn specifieke verpleegkundige taken in de zorg rondom ECT?
  • Welke voorlichting over ECT dient een patiënt vooraf, tijdens en na de behandeling te ontvangen?

Anesthe-siologische zorg

  • Waar dient een doelgerichte preoperatieve screening voor ECT uit te bestaan?
  • Wat zijn de absolute en relatieve contra-indicaties voor het toepassen van ECT?
  • Welke organisatie en maatregelen dient men toe te passen met betrekking tot anesthesie bij ECT?
  • Welke hypnotica zijn eerste keus bij het toepassen van ECT?
  • Welk anesthesiologisch beleid dient uitgevoerd te worden bij het gebruik van anticholinergica bij ECT?
  • Welk beleid dient te worden uitgevoerd om de cardiovasculaire effecten van een ECT te behandelen?
  • Welke add-on maatregelen kunnen het effect van een ECT vergroten?
  • Op welke wijze dienen de meest voorkomende acute bijwerkingen van ECT voorkomen of behandeld te worden?

Vervolg behandeling na ECT

  • Waaruit dient de farmacotherapeutische vervolgbehandeling te bestaan van een patiënt met een unipolaire depressieve stoornis na een succesvolle ECT-kuur?
  • Waaruit dient de psychotherapeutische vervolgbehandeling te bestaan van een patiënt met een unipolaire depressieve stoornis/bipolaire stoornis/schizofrenie na een succesvolle ECT-kuur?
  • Wanneer is een vervolgbehandeling met ECT geïndiceerd na een succesvolle ECT-kuur?

Organisatie van zorg

  • Wat is de positie van ECT in het gehele behandeltraject van patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen?
  • Welke randvoorwaarden moeten georganiseerd te zijn voordat ECT kan worden uitgevoerd?

Perspectief patiënten en naasten

  • Hoe wordt ECT doorpatiënten en hun naasten ervaren?
  • Welke meerwaarde van ECT worden door patiënten en hun naasten ervaren?
  • Welke knelpunten worden door patiënten en hun naasten ervaren bij ECT?
  • Wat zou er in de organisatie rond ECT verbeterd kunnen worden vanuit het perspectief van patiënten en hun naasten?

Economische analyse ECT

  • Wat is de kosteneffectiviteit en budget impact van het aanbieden van ECT voor volwassenen (18+) met een ernstige medicatieresistente depressie?
  • Wat is de kosteneffectiviteit en budget impact van het aanbieden van ECT voor

 volwassenen (18+) met een therapieresistente psychotische episode?

 

Zoekstrategie

Om de klinische uitgangsvragen te beantwoorden is, in overleg met de werkgroepleden, op systematische wijze literatuuronderzoek verricht en is een selectie gemaakt binnen de gevonden onderzoeken volgens vooraf vastgestelde selectiecriteria. Er is gezocht naar bestaande (buitenlandse) evidence-based richtlijnen voor ECT, systematische reviews en meta-analyses. In de literatuur searches is gezocht naar literatuur in de Engelse, Nederlandse, Franse, en Duitse taalgebieden. Voor het zoeken naar publicaties is gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

  • Psychological Information Database (PsycINFO)
  • PubMed
  • Cumulative Index to Nursing and Allied Health Literature (CINAHL)
  • Excerpta Medica database (Embase)

 

Selectiestrategie

Bij de selectie van artikelen zijn de volgende criteria gehanteerd:

  • Geeft het onderwerp van het gevonden onderzoek voldoende antwoord op de uitgangsvraag: worden de binnen GRADE vastgestelde kritische en belangrijke uitkomstmaten in het onderzoek geëvalueerd? (zie voor meer informatie over GRADE verderop in deze module);
  • Sluit de doelgroep van het gevonden onderzoek voldoende aan bij de doelgroep van de module?;
  • Is er sprake van een meta-analyse of systematic-review van randomised controlled trials (RCT), cohort onderzoeken, cross-sectioneel onderzoek, patiëntcontrole onderzoek of wetenschappelijke verantwoord kwalitatief onderzoek? Bij een longitudinaal onderzoek: Is er sprake van een voldoende lange follow-up periode?;

Zie voor meer informatie over de zoekstrategie de bijlagen per module en voor meer informatie over de selectiecriteria per uitgangsvraag de reviewprotocollen in de bijlagen per module.

 

Beoordeling van de kwaliteit van het bewijs

Studies werden indien mogelijk door twee personen beoordeeld op het risico op bias met behulp van de Cochrane Collaboration Risico van Bias Assessment Tool (Higgins 2008). Elke studie werd gewaardeerd op de wijze van randomisatie en toewijzing; blindering van de deelnemers, beoordelaars, en therapeuten; gehanteerde methode om met uitval van deelnemers om te gaan; en of alle uitkomsten zijn gerapporteerd. Risico op bias kon als hoog (serieuze kans op beïnvloeding van het resultaat), laag (waarschijnlijk geen invloed op het resultaat), of onduidelijk worden beoordeeld. Indien een geselecteerde studie al een risico op bias analyses had uitgevoerd is deze overgenomen.

Voor het bewijs rondom interventies is daarna het bewijs van de onderzoeken per uitkomstmaat gegradeerd met behulp van GRADE[1]. De kwaliteit van het bewijs kent daarbij vier niveaus, te weten; zeer laag, laag, matig en hoog. In deze module is gekozen om de GRADE niveaus weer te geven met behulp van de volgende neutrale en internationaal toepasbare weergave:

 

Hoog

XXXX

Matig

XXXO

Laag

XXOO

Zeer laag

XOOO

 

Het studiedesign bepaalt de uitgangspositie van de kwaliteit van bewijs. Gerandomiseerde, gecontroleerde studies (RCT's) hebben over het algemeen meer bewijskracht dan observationele studies. Daarom is hun uitgangspositie hoog, terwijl de uitgangspositie van observationele studies laag is. De kwaliteit van het bewijs per uitkomstmaat wordt, behalve door de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken, ook bepaald door andere factoren, zoals de mate van consistentie van de gevonden resultaten uit de verschillende onderzoeken en de precisie van de gevonden uitkomst (zie tabel 1).

 

Tabel 1 GRADE Factoren voor downgraden en upgraden

Het niveau van de kwaliteit van het bewijs (zeer laag, laag, matig en hoog) verwijst naar de mate van vertrouwen dat men heeft in de schatting van het effect van een behandeling.

 We downgraden het niveau van de kwaliteit van bewijs van studies met een hoge uitgangspositie (RCT’s), bij:

 

 We upgraden het niveau van de kwaliteit van bewijs van observationele studies bij:

 

  1. Beperkingen in de onderzoeksopzet of uitvoering (study limitations)[2]: hierbij gaat het om de methodologische kwaliteit. Voorbeelden zijn dat de randomisatie-procedure niet optimaal was, dat beoordelaars van subjectieve uitkomsten niet geblindeerd waren, dat er selectief is gerapporteerd over de uitkomsten en dat er veel uitvallers waren.
  1. Een groot effect (large magnitude of effect): hiervan is sprake als er in de resultaten een groot effect of een sterk bewijs van associatie gevonden wordt. Dit kan tot uitdrukking komen in de hoogte van het relatieve risico (RR).

 

  1. Inconsistentie van de resultaten (inconsistency): hierbij gaat het om heterogeniteit van de resultaten van verschillende studies. Er kunnen beperkingen zijn als er een grote variatie is in de schattingen van het effect van een behandeling of als er nauwelijks overlap is tussen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen (BI’s).
  1. Mogelijke confounders die het ‘ware’ effect verminderd hebben (plausible confounding): hiervan kan sprake zijn als er een achterliggende variabele is, zoals de ernst van de aandoening van de patiënten die met het onderzoek meedoen, die van invloed is op het effect van de interventie.
  1. Indirect bewijs (indirectness): er worden twee soorten indirect bewijs onderscheiden. Enerzijds gaat het om indirecte vergelijkingen, bijvoorbeeld wanneer er alleen interventies met een placebo worden vergeleken en geen interventies met elkaar worden vergeleken. Anderzijds gaat het om verschillen in patiëntenpopulatie, inhoud van de interventie of keuze van de uitkomstmaten tussen de beschikbare studies en de uitgangsvraag die in de richtlijn of module wordt gesteld.
  1. Bewijs van een verband tussen de dosering en de repons (dose-response gradient): hiervan kan sprake zijn als een stijgende dosering van een bepaald medicijn meer effect geeft.

 

  1. Onnauwkeurigheid van de resultaten (imprecision): hierbij gaat het om de onzekerheid van de uitkomst, bijvoorbeeld als de 95%-BI’s heel breed zijn vanwege kleine patiënten aantallen.

 

  1. Kans op selectieve publicatie (publication bias) van onderzoeken of uitkomstmaten. Een voorbeeld van een beperking is wanneer niet alle studies gepubliceerd worden, bijvoorbeeld kleine studies die geen effecten ten gunste van de interventie konden aantonen.

 

 

Samenvatten van resultaten

Van elk artikel is een samenvatting gemaakt, waarin de belangrijkste kenmerken van het onderzoek zijn opgenomen (bij een RCT zijn dat bijvoorbeeld het doel van het onderzoek, het onderzoeksdesign, patiëntkenmerken, interventies, uitkomstmaten en de resultaten). Bij de uitgangsvragen over interventies is waar mogelijk voor elke kritische uitkomstmaat een meta-analyse uitgevoerd, om de omvang van het klinisch effect van de interventie samen te vatten. De data uit oorspronkelijke onderzoeken worden hiervoor verwerkt in een forest plot, welke een grafische weergave van de meta-analyse geeft (zie tabel 2 voor een voorbeeld van een forest plot). In het geval dat een geselecteerde studie een meta-analyses betrof, is gebruik gemaakt van de al uitgevoerde meta-analyses uit de desbetreffende publicatie.

 

Tabel 2 Voorbeeld van een forest plot met toelichting

F1

De verticale lijn is de lijn van geen effect.

  • Elke blokje geeft de puntschatting van het interventie effect van een onderzoek aan
  • De grootte van het blokje correspondeert met het gewicht van het onderzoek binnen de meta-analyse
  • De horizontale lijn is een weergave van het betrouwbaarheidsinterval (95% BI)
  • De diamant is een weergave van het overall effect (gemiddeld gewogen effect)
  • De significantie van het overall effect wordt onderaan de plot gegeven (z-score en p-waarde)
  • De I2 geeft de mate van heterogeniteit van de studies aan (consistentie van de resultaten)

 

Wanneer er onvoldoende data beschikbaar waren om een meta-analyse uit te voeren, stelden de reviewers in enkele gevallen een narratieve (beschrijvende) review van het beschikbare bewijs op (zonder ‘gepoolde’ resultaten en berekening van mate van heterogeniteit, maar met een beschrijving van de kwaliteit). De kwaliteitsbeoordeling en een samenvattende beschrijving van de verschillende onderzoeken die zijn geselecteerd vanuit de systematische literatuur search worden voor elke uitgangsvraag beschreven onder het kopje ‘wetenschappelijke onderbouwing’.

 

Conclusies

De formulering van de conclusies, gebaseerd op de studies uit de systematische literatuur search, is afgestemd op het GRADE niveau (zie tabel 3). Deze formulering sluit ook aan bij de ‘levels of evidence’ welke indeling (niveau 1 t/m 4) voorheen werd gebruikt in onder andere de multidisciplinaire richtlijn Schizofrenie.

 

Tabel 3 Formulering conclusies n.a.v. GRADE niveau

GRADE

Levels of evidence

Formulering conclusies

XXXX

Niveau 1

“Het is aangetoond dat…”

XXXO

Niveau 2

“Het is aannemelijk dat…”

XXOO

Niveau 3

“Er zijn aanwijzingen dat…”

XOOO

Niveau 4

“Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat…”

 

Conversie van levels of evidence naar GRADE

In de huidige richtlijn is er gekeken of de uitgangsvragen in de modules Indicaties, Technische en verpleegkundige aspecten en Anesthesiologische zorg beantwoord kunnen worden aan de hand van recent uitgevoerde systematische reviews en meta-analyses (en de losse randomized controlled trials daarbinnen). In het geval dat er geen recente systematische reviews en/of meta-analyses zijn gevonden zijn in de huidige richtlijn de conclusies uit de vorige richtlijn Elektroconvulsietherapie (2de herziene versie; NVvP, 2010) omgezet van ‘levels of evidence’ naar ‘GRADE’. Kort samengevat worden conclusies getrokken op basis van bewijs waarvan de sterkte wordt aangegeven doormiddel van niveau 1 (sterk) t/m niveau 4 (zwak) (zie tabel 4). Deze niveaus worden bepaald aan de hand van de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken waar de conclusies op gebaseerd zijn (zie tabel 2). In de GRADE methode wordt kwaliteit van het bewijs gerangschikt in vier niveaus, te weten; zeer laag, laag, matig en hoog (zie tabel 5). Bij het omzetten van ‘levels of evidence’ naar ‘GRADE’ kwam deze rangschikking als volgt tot stand.

Conclusies met de niveaus 3 of 4 werden omgezet naar ‘zeer laag’. Wanneer een niveau 3 conclusie gebaseerd was op observationele studies (methodologische kwaliteitsniveau B), werd er gekeken of er stapsgewijs geüpgraded kon worden. Dit werd gedaan in het geval dat de observationele studie een groot effect liet zien, wanneer mogelijke confounders het ware effect verminderd hadden, en wanneer er bewijs is van een verband tussen de dosering en de respons.

Bij niveau 2 conclusies is er gekeken naar de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken. In het geval dat dit een non-RCT/observationele studie betrof was het GRADE startpunt ‘zeer laag’ en werd er gekeken of er stapsgewijs geüpgraded kon worden. Wanneer het een RCT betrof was het GRADE startpunt ‘hoog’. Vervolgens werd op basis van de full tekst gedowngraded voor risk of bias (tekortkoming[en] in de studie), inconsistentie van de resultaten, indirect bewijs, onnauwkeurigheid van de resultaten en publicatie bias.

Bij niveau 1 conclusies werd er gekeken naar de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken. Wanneer dit een RCT was (methodologische kwaliteitsniveau A2) was het GRADE startpunt ‘hoog’ en werd de full tekst gebruikt om GRADE uit te voeren. In het geval van een narratieve review werd er in de referentielijst van de review gezocht naar relevante RCTs, wanneer deze er niet waren was het GRADE startpunt ‘zeer laag’ en werd er gekeken of er geüpgraded kon worden op basis van individuele observationele studies. Wanneer er wel een relevante RCT was gebruikt was het GRADE startpunt ‘hoog’ en werd op basis van de full tekst GRADE uitgevoerd. Als de niveau 1 conclusie gebaseerd was op een systematische review/meta-analyse (methodologische kwaliteitsniveau A1) werd alle informatie van de relevante RCTs uit de full tekst gehaald en waar nodig aangevuld met informatie uit de originele artikelen. De GRADE score was in deze gevallen ‘hoog’ en de standaard GRADE methode werd uitgevoerd om het uiteindelijke kwaliteitsniveau van het bewijs te bepalen.

De conclusies afkomstig uit de vorige richtlijn Elektroconvulsietherapie waarvan de levels of evidence zijn omgezet naar GRADE worden in de modules aangeduid met een †.

 

Tabel 4 Levels of evidence zoals gebruikt in de vorige Richtlijn Elektroconvulsietherapie (2de herziene versie, NVvP, 2010)*

Level of evidence

Conclusie gebaseerd op**

Niveau 1

onderzoek van niveau A1 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

Niveau 2

één onderzoek van niveau A2 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

Niveau 3

één onderzoek van niveau B of C

Niveau 4

mening van deskundigen

*Tabel is een aangepaste versie zoals weergegeven in Richtlijn Elektroconvulsietherapie (2de herziene versie, NVvP 2010) ** Zie tabel 5 voor overzicht van bepaling methodologische kwaliteit van individuele onderzoeken.

 

Tabel 5 Bepaling van de methodologische kwaliteit van individuele onderzoeken zoals gebruikt in de Richtlijn Elektroconvulsietherapie (2de herziene versie, NVvP, 2010)*

Interventie

Diagnostische accuratesse-onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1: Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

 

 

A2: Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend

klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling

van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort-onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is

voor ‘confounding’ en selectieve

follow-up voldoende is uitgesloten

B: Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiëntcontrole-onderzoek, cohortonderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort-onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2, of retrospectief cohort-onderzoek of patiënt-controleonderzoek

C: Niet-vergelijkend onderzoek

 

 

D: Mening van deskundigen

 

 

 

*Tabel is een aangepaste versie zoals weergegeven in Richtlijn Elektroconvulsietherapie (2de herziene versie, NVvP, 2010)

 

Praktijkoverwegingen

Naast de wetenschappelijke onderbouwing, waarin vanuit de systematische literatuursearch de conclusies zijn getrokken op basis van het best beschikbare bewijs, is voor elke uitgangsvraag expert kennis verzameld. Hiervoor hebben de leden van de werkgroep gebruik gemaakt van een GRADE checklist ‘Van bewijs naar aanbeveling’, waarmee systematisch wordt nagegaan of er relevante praktijkoverwegingen zijn voor een aantal vooraf bepaalde factoren, waaronder: balans tussen gewenste en ongewenste effecten, patientenperspectief, middelenbeslag en maatschappelijk perspectief. Deze overwegingen werden onderbouwd vanuit ‘grijze literatuur’ (studies, rapporten en andere teksten die niet vanuit de systematische literatuursearch en -selectie zijn verwerkt in de wetenschappelijke conclusies). De aanbevelingen werden gebaseerd op de combinatie van de wetenschappelijke conclusies en de praktijkoverwegingen.

 

Aanbevelingen

Aanbevelingen kunnen gegradeerd worden als ‘sterk’ (onvoorwaardelijk) of ‘zwak’ (voorwaardelijk). Wanneer de kwaliteit van het bewijs voor de positieve en negatieve effecten van een interventie hoog is, kan dit leiden tot een sterke aanbeveling, en omgekeerd, wanneer de bewijskracht laag tot zeer laag is, kan dit een zwakke aanbeveling opleveren. Een zwakke aanbeveling geeft meer ruimte om af te wijken en aandacht te schenken aan alternatieven die passen bij de behoeften van de patiënt, terwijl bij een sterke aanbeveling die ruimte beperkt is. Echter, de kracht van het wetenschappelijke bewijs is niet de enige factor die de sterkte van de aanbevelingen bepaalt. De aanbevelingen zijn gebaseerd op wetenschappelijk bewijs enerzijds, en overige overwegingen, zoals praktijkervaringen van de werkgroepleden, ervaringen en voorkeuren van patiënten, kosten, beschikbaarheid en organisatorische aspecten, anderzijds.

 

Voor de formulering van ‘sterke’ (onvoorwaardelijke) en ‘zwakke’ (voorwaardelijke) aanbevelingen is de volgende indeling aangehouden (zie tabel 6):

 

Tabel 6 GRADE Voorkeursformulering sterke / zwakke aanbevelingen

Gradering aanbeveling

Betekenis

Voorkeursformulering

STERK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] aan.

ZWAK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Overweeg [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

ZWAK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Wees terughoudend met [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

STERK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] niet aan.

 

Methode: economische analyse

Het doel van de economische evaluatie was om bij te dragen aan de ontwikkeling van de richtlijn door het leveren van bewijs over de kosteneffectiviteit van ECT. Dit werd bereikt door het uitvoeren van een systematische literatuur search naar bestaand economisch bewijs. Systematische literatuur searches naar economisch bewijs zijn uitgevoerd voor ECT bij therapieresistente depressie.

 

Zoekstrategie

Er werd een systematische literatuur zoekstrategie uitgevoerd om al het relevante bewijs te identificeren. Zoekstrategieën werden beperkt tot economische onderzoeken en Health Technology Assessment Reports, en uitgevoerd in de volgende databases:

  • Health Technology Assessment (HTA) database
  • NHS Economic Evaluation Database (NHS EED)
  • EMBASE
  • PsychINFO
  • CINAHL
  • PubMed
  • Cochrane Database of Systematic Reviews (CDSR)

Daarnaast werd Google en Google Scholar doorzocht op onderzoeken welke mogelijk ontbraken in de elektronische databases. Verder werd literatuur in eerdere richtlijnen gecheckt. Enig relevant bewijs vanuit de klinische literatuursearch werd in deze periode aan de Health Economist beschikbaar gesteld. De HTA en NHS EED databases zijn relatief beperkt in omvang, waardoor werd gekozen voor een brede zoekstrategie gebaseerd op een klinische Cochrane review van Peng et al. (2014) gecombineerd met een zoekstrategie van Wilczynski et al. (2004) die speciaal ontwikkeld is voor het identificeren van economische studie.

 

Selectiestrategie

De volgende selectiecriteria zijn toegepast om vanuit de resultaten van economische searches onderzoeken te selecteren voor nadere evaluatie:

  • Richten op patiënten met depressie.
  • Volledige economische evaluatie (d.w.z. dat tenminste twee behandelingen met elkaar vergeleken werden in termen van kosten en effecten) gebaseerd op een klinische studie of een modelleringsstudie.
  • ECT als een van de armen in de studie.
  • Selectiecriteria rond soorten klinische condities, gebruikers van zorg en interventies die worden beoordeeld waren identiek aan die in de klinische literatuur reviews.
  • Een voorwaarde voor inclusie van onderzoeken was dat deze voldoende details beschreven over methoden en resultaten en dat de gegevens en de resultaten van het onderzoeken extraheerbaar waren. Dit om het mogelijk te maken om de methodologische kwaliteit van het onderzoeken te beoordelen. Poster presentaties en abstracts werden geëxcludeerd.

 

Beschrijving van de resultaten en conclusies

Het economisch bewijs dat is geselecteerd in deze module is apart weergegeven.

 

Literatuur

Gevers, J.K.M., & Aalst, A. van (1998). De rechter en het medisch handelen (3e druk). Deventer: Kluwer.

Higgins, J.P.T., Green, S., & Cochrane Collaboration (2008). Cochrane handbook for systematic Reviews of interventions. Chichester, England/Hoboken, NJ: Wiley-Blackwell.


[1] GRADE: Grading of Recommendations Assessment, Development and Evaluation

[2] Het blinderen van deelnemers en therapeuten is in deze richtlijn niet meegenomen in de beoordeling van studies rond psychosociale interventies, omdat blinderen van de deelnemers en therapeuten niet goed mogelijk is bij deze interventies.

Volgende:
Technische en verpleegkundige aspecten